“En de ganse aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden”
— (Genesis 11:1)
Gisteren lazen we wat Gods doel was als het gaat om de verspreiding van volkeren. In Genesis 11 zien we dat de mens een ander doel voor ogen heeft en een zelfgekozen weg inslaat. Na de zondvloed gingen Noach en zijn familie uit de ark. Noach plantte een wijngaard en drinkt zich dronken. Hier zien we dat iemand na ontvangen genade nog steeds kan vallen in zonden. We lezen ook dat Sem, Cham en Jafeth kinderen kregen. Deze kinderen kregen ook weer kinderen en de wereldbevolking breidde zich uit. Men besluit om naar het oosten te trekken en, tegen het bevel van de Heere in, bij elkaar te blijven wonen. Ze vinden een vlakte in het land Sinear. Volgens de kanttekening bij de Statenvertaling gaat het vooral om Chams nakomelingen en hun stamhoofd Nimrod. Het lijkt er echter op dat ook de nakomelingen van de andere zonen naar het oosten trokken. Men sprak dezelfde taal. Welke taal dit geweest is weten we niet? Sommige geleerden menen dat het een vorm van Hebreeuws was, anderen bediscussiëren dat weer. Het is niet zó belangrijk welke taal het geweest is. Dat het eenzelfde taal was, was nog een scheppingsoverblijfsel uit het Paradijs. Maar net als bij de zondeval, wordt ook dit voorrecht door de mensheid verbruikt. Het lijkt wel of al het oorspronkelijke moet verdwijnen. Satan is erop uit om alles te verwoesten en daarvoor gebruikt hij, onder Gods toelating, mensen (zeker ook wereldleiders). Dat is niet alleen iets van toen, maar geldt ook nu. Je hoeft het nieuws alleen maar te volgen om te zien dat de mensheid geen steek veranderd is. Hoe zit dat bij ons persoonlijk? Moeten we niet samen met de psalmdichter zingen: “Wij hebben God op 't hoogst misdaan; wij zijn van 't heilspoor afgegaan”.
Door Jan van Meerten